Angeli schrijft


15 reacties

Alpe d’HuZes 2012

Maandag 4 juni, 16.00 uur. Eindelijk bijna in Alpe d’Huez. Maanden lang zijn we bezig geweest met Alpe d’HuZes, trainingen, geld bij elkaar sprokkelen en mentaal voorbereiden. Het gesprek van de dag ging over fietsen, het KWF en hoe mooi dit evenement gaat worden.

En dan sta je ineens met je auto aan de voet van de Alpe d’Huez. We schrikken ons kapot. Dit is geen berg, dit is een muur. Dit is het Kopje van Bloemendaal vanaf de steile kant maar dan 15 km lang. En terwijl we de berg op rijden worden we steeds stiller. We hebben dit nog nooit gedaan, dit kunnen we niet, hier waren we niet op voorbereid. Al die fietstochten in Zuid-Limburg lijken ineens een lachertje. Zwaar onder de indruk  komen we in Alpe d’Huez aan, het uitzicht is adembenemend. Al snel spreken we mensen die net als wij, zich rot geschrokken zijn van de steilheid van deze berg, we spreken mensen die hem al opgereden zijn en iedereen is het met elkaar eens. Dit is zwaar, maar hier zijn we voor gekomen en we gaan dit gewoon doen.

Dinsdag 5 juni, het begint te kriebelen. De onzekerheid is toegeslagen maar waar gaat dit over. We gaan verdomme fietsen voor alle dierbaren die we kwijt zijn geraakt aan kanker of die de zware strijd hebben overleefd. Geen gezeik meer, maar fietsen. We maken wat korte rondjes om een beetje los te fietsen na die lange autorit, eten met het hele team en aanhang en gaan op tijd naar bed. Ik slaap slecht en ben die nacht wel 10x die berg opgegaan.

Woensdag 6 juni, de grote dag. We kijken uit het raam en het regent pijpestelen. K*t. Als ik ergens bang voor ben is het afdalen op een zeiknat wegdek.  Thomas Braun zei tegen mij, angst is geen stopbord, het is een richtingaanwijzer. Ik weet dat hij gelijk heeft, maar op dit moment overheerst mijn gevoel dat ik veilig terug wil naar mijn kind dus vooral rustig aan.

En daar staan we dan, aan de voet van de Alpe, de adrenaline giert door mijn lijf. Van de zenuwen vergeet ik mijn remmen vast te zetten maar gelukkig wijst een voorbij lopende man me op deze stomme fout. Ik rij de bocht om en daar ligt hij, de eerste bocht steil omhoog, op naar bocht 21. Rustig worden, een goede cadans zoeken, klein verzetje en trappen. De eerste bochten schijnen het steilste te zijn maar ik fiets ze boven verwachting redelijk soepel omhoog. Bij bocht 16 even afstappen om mijn regenjack uit te doen en even heel blij zijn dat ik al bij bocht 16 ben. Hoe naïef.  Om me heen ploeterende wielrenners en hijgende runners en langs de kant mensen die je vleugels geven. Ze klappen voor je,  moedigen je aan en op het moment dat ik er even doorheen zit kijkt mijn vader me lachend aan vanaf zijn foto op mijn stuurbordje. Het is vooral emotioneel retezwaar dit. Die brok in mijn keel wil maar niet weg. Ik rij langs spandoeken waar foto’s en teksten opstaan van kinderen die zijn overleden, van echtgenotes, ouders, vrienden. Iedereen rijdt hier voor een dierbare, iedereen heeft dezelfde last op zijn bagagedrager, maar de positiviteit overheerst hier. Ik stap af en help een meisje met een kaal koppie onder haar helm weer op de fiets en de bocht door. In bocht 7 is het feest, daar staat het vol met lieve mensen die je bidon bij vullen, een banaan in je zak stoppen en je een “kontje” geven als je weer opstapt. Als ik vlakbij bocht 4 langs een spandoek rij met een foto van Daan, een jochie van 4 die is overleden breek ik. Ik moet afstappen en zie zijn mama huilend over haar fiets onder het spandoek staan. Ik ga er even bijzitten en probeer na een minuut of 2 weer op te stappen, de berg roept. Ik ben emotioneel stuk en precies op dat moment zegt iemand langs de kant tegen mij, “kom op meid, je fietst voor je vader aan het fotootje te zien, je kan het!” Ik barst in huilen uit en wordt in de armen gesloten door 2 compleet onbekende vrouwen. Mijn helden van de dag. Ze spreken me moed in, ik kruip uit het dal en kijk omhoog. De zon is gaan schijnen, het eind is in zicht, ik wil naar boven, ik wil naar mijn pa want als ik boven ben ben ik dichter bij de hemel dan ik ooit kan zijn.  En opgeven is echt geen optie.  Pijn voel ik niet, ik stap op mijn fiets om pas na de finish eraf te komen. Ik denk aan mijn lieve vriendin, ook zij kon niet opgeven, ze is zo sterk en dat wil ik ook zijn, dus ik ga door, geen gezeik!

En dan kom je het dorp in fietsen, de laatste bochten omhoog. Zoveel mensen die hier staan te juichen, je staan aan te moedigen, je zo verschrikkelijk veel kracht geven.  Muziek schalt uit luidsprekers en in de bochten staan bands te spelen. Het laatste stukje gaat omlaag, de laatste bocht om en dan zie ik de finish. Het ziet zwart van de mensen. Ik barst in huilen uit, strek mijn arm in de lucht en ga jankend de finish over. Ik donder de fiets aan de kant om even mijn tranen de vrije loop te laten gaan en op datzelfde moment krijg ik een sms’je van mijn vriendin die me online volgt. Nog meer tranen. Mijn eerste finish is een feit. Zoveel euforie heb ik nog nooit gevoeld, zo trots ben ik zelden geweest, zo dicht bij mijn vader was ik nooit.

Donderdag 7 juni, dag 2. We gaan vandaag aanmoedigen, we gaan de andere groep fietsers omhoog juichen. Ik zie een jongen fietsen met een zak cement van 25 kg op zijn fiets, hij draagt zijn verdriet in kilo’s mee, een man met een kartonnetje aan zijn fiets waarin hij zijn zoontje van 1½ moed inspreekt om vooral door te vechten, een ieniemienie jochie van 7 die voor zijn mama die berg op ploetert, ik zie mannen elkaar in de armen vliegen en weer vloeien de tranen rijkelijk. Ik zie Myrthe, een jong maar belachelijk moedig grietje voor de 6e keer bovenkomen, kinderen met aanhangfietsjes die door één van de ouders omhoog worden geholpen.  Zelden heb ik zoveel gejankt in 2 dagen. Zelden heb ik zoveel saamhorigheid meegemaakt, zelden ben ik zo trots geweest en nog nooit heb ik me zo klein gevoeld.

Wat een mooie dagen.

En deze neem ik voor altijd mee: Als je écht niet meer kan, dan heb je alles gegeven.